De Gereformeerde Kerk te Amersfoort e.o.
 

Psalm 2

Oude berijming

Nieuwe berijming

1 Wat drift beheerst het woedend heidendom,
En heeft het hart der volken ingenomen?
De koningen verheffen zich alom,
De vorsten zijn vermetel saamgekomen,
Om God, den HEER', zelfs naar de kroon te steken,
En tegen Zijn Gezalfde op te staan.
Zij spreken saam:"Laat ons hun banden breken,
En van hun juk en touwen ons ontslaan."

2 Maar d' Opperheer, die Zijn geduchten stoel
Op starren sticht, en grondvest op de wolken,
Zal lachen met dat vruchteloos gewoel,
En spotten met den waan der dwaze volken,
God zal Zijn wraak ontdekken voor hun ogen.
Straks gloeit de lucht door 't vlammend bliksemlicht;
't ls God die spreekt; Hij dondert uit den hoge,
En jaagt den schrik Zijn haat'ren in 't gezicht.

3 "Durft gij bestaan te twisten met Mijn kracht?
Zal nietig stof Mij 't hoog gezag ontwringen,
Of weerstand bien aan Mijn geduchte macht?
Ontziet Mijn toorn, verdoolde stervelingen.
Gij zult vergeefs Mijn rijksbestel weerstreven.
Mijn Koning is gezalfd door Mijn beleid;
Hij, door Mijn hand op Sions troon verheven,
Heerst op den berg van Mijne heiligheid."

4 "En Ik, die Vorst, met zoveel macht bedeeld,
Zal Gods besluit aan 't wereldrond doen horen.
Hij sprak tot Mij:"'k Heb heden U geteeld;
Gij zijt Mijn Zoon, Gij zijt Mijn eengeboren;
Zeg vrij Uw eis; Ik zal Uw macht verhogen,
Opdat Uw Naam alom ontzaglijk zij;
Het heidendom ligg' voor Uw stoel gebogen,
En 't eind der aard erkenn' Uw heerschappij."

5 "Uw ijz'ren staf, die al hun macht verplet,
Maak' hen eerlang eerbiedig'onderzaten,
En noodzaak, hen te buigen voor Uw wet,
Of sla z' aan gruis, als pottenbakkersvaten! "
O vorsten, wilt de wet der wijsheid horen,
Eer gij God zelv' en Zijn Gezalfde hoont.
O rechters, tot den stoel der eer gekoren,
Verdraagt Zijn tucht, die u Zijn liefde toont.

6 Vreest 's HEEREN macht en dient Zijn Majesteit;
Juicht, bevend op 't gezicht van Zijn vermogen,
En kust den Zoon, van ouds u toegezeid;
Eer u Zijn toorn verdelg' voor aller ogen,
U op uw' weg tot stof doe wederkeren;
Wanneer Zijn wraak, getergd door uw gedrag,
U, onverhoeds, zou door haar gloed verteren,
Tot staving van Zijn langgehoond gezag.

7 Welzalig zij, die, naar Zijn reine leer,
In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen.
Die Sions Vorst erkennen voor hun HEER';
Welzalig zij, die vast op Hem betrouwen.
1 Wat drijft de volken, wat bezielt ze toch?
Wat is de waanzin toch die zij beramen?
De groten staan gewapend tot de slag,
de machtigen der wereld spannen samen.
't Is tegen het gezag van God den HERE
En tegen zijn gezalfde vorst gericht:
"Komt", zeggen zij, "laat ons hun banden scheuren,
tot alle macht in onze handen ligt!"

2 Die in de hemel is gezeten lacht,
want Hij is God die eeuwig blijft regeren.
Hij spot met hen die spotten met zijn macht.
Hij kent zijn tijd, Hij is de Heer der heren.
Dan zal Hij spreken uit zijn hoge woning
en hen verschrikken in zijn grimmigheid:
"Ik wijdde mijn gezalfde tot een koning
Op Sions berg, de berg der heiligheid."

3 Ik roep op aarde 't woord des HEREN uit.
Hij sprak tot mij: "Zie Ik verwek u heden.
Gij zijt mijn zoon naar mijn vrij raadsbesluit.
Vraag Mij: Ik zal u met gezag bekleden.
Zie, al het volk tot in de verste streken,
de ganse aarde geef Ik in uw macht.
Gij zult het aarden vat met ijzer breken,
ja, het verbrijzlen door uw grote kracht."

4 O machtigen, o koningen, weest wijs.
Laat u gezeggen, rechters zonder rede.
Vreest God den Heer en dient Hem naar zijn eis,
verheugt u bevend, zoekt bij Hem uw vrede.
Kust toch de zoon, opdat gij niet te gronde
gaat op uw weg. Te licht wordt hij getart
en kan zijn gramschap tegen u ontbranden.
maar zalig zijn die schuilen aan zijn hart.