De Gereformeerde Kerk te Amersfoort e.o.
 

Psalm 106

Oude berijming

Nieuwe berijming

Looft God, den trouwen Opperheer!
Geeft, geeft Hem vrolijk roem en eer,
Wiens goedheid perken kent, noch palen.
Maar wie, hoe hoog verlicht hij zij,
Wie kan zijn mogendheên verhalen,
Zijn lof verbreiden naar waardij?

2 Welzalig elk, die 't recht betracht,
Die, t' allen tijd', Zijn wetten acht.
O HEER', laat mij, naar 't welbehagen,
Dat G' in Uw volk steeds hebt getoond,
Ook roem op Uw bescherming dragen,
En met Uw zegen zijn bekroond.

3 Geef dat mijn oog het goed' aanschouw',
't Welk Gij, uit onbezweken trouw,
Uw uitverkoor'nen toe wilt voegen;
Opdat ik U mijn rotssteen noem',
En delend in Uws volks genoegen,
Mij met Uw erfdeel blij beroem'.

4 Wij hebben God op 't hoogst misdaan;
Wij zijn van 't heilspoor afgegaan.
Ja, wij en onze vaad'ren tevens,
Verzuimend' alle trouw en plicht,
Vergramden God, den God des levens,
Die zoveel wond'ren had verricht.

5 Onz' ouders, in Egypteland,
Beveiligd door Zijn sterke hand,
Vergaten al Zijn gunstbewijzen;
Zij morden aan de Rode Zee,
In plaats van 's HEEREN gunst te prijzen;
Dies dreigde hen een zwaarder wee.

6 Doch om Zijns Naams wil, om Zijn macht
Te tonen aan dit dwaas geslacht,
Schold Hij de zee, dat z' uit moest drogen;
Hij deed hen langs haar gronden gaan,
En toond' aan 's vijands heir 't vermogen,
Dat hun in nood had bijgestaan.

7 De waat'ren keerden in hun kolk;
Waar paard en ruiter, vorst en volk,
Tot een toe, in den vloed versmoorden.
Toen had gans Isrel juichensstof,
Toen, toen geloofden z' aan Gods woorden,
Toen zong al 't volk des Hoogsten lof.

8 Maar zij vergaten 's HEEREN werk;
Zij stelden hunnen God een perk.
Zij wilden in Hem niet berusten,
Maar durfden in de wildernis,
Zijn macht beproeven, door hun lusten,
En 't hunk'ren naar Egypte's dis.

9 Toen heeft Hij hen met vlees gevoed.
Maar zond hun ziel, bij d' overvloed,
Een magerheid, die z' uit deed teren.
Zij dorsten Mozes 't hoog bewind,
En Aron 't priesterambt des HEEREN,
Benijden, door hun waan verblind.

10 Maar 't aardrijk opende zijn mond,
Waarmee 't Abirams volk verslond,
En Dathans snode vloekverwanten.
Een vuurgloed stak de tenten aan
Van 't godd'loos rot, aan alle kanten,
En deed het door de vlam vergaan.

11 Zij maakten zich, den HEER' ten spot,
Een kalf bij Horeb tot een god,
Waarvoor zij zich eerbiedig bogen.
Een os, die gras eet op het veld,
Een beeld, o gruwel in Gods ogen,
Werd toen aan Hem gelijk gesteld.

12 Hun hart vergat den Opperheer,
Hun dierb'ren Heiland, die weleer
Hen redde van d' Egyptenaren;
Die wond'ren deed in 't land van Cham,
Zich vrees'lijk maakt, in 't ruim der baren,
En Faro 't levenslicht benam.

13 Toen dreigde God hen met den dood,
En nimmer waren z' in dien nood
Zijn hooggeduchte wraak ontweken,
Zo Mozes, Zijn verkoren held,
Zich niet bij God, met ernstig smeken,
Voor hen had in de bres gesteld.

14 Zij hebben 't langgewenste land
Versmaad uit strafbaar onverstand,
En niet geloofd aan 's HEEREN woorden.
Zij morden daag'lijks in hun tent,
Dewijl zij naar Zijn stem niet hoorden,
Hoe duid'lijk ook aan hen bekend.

15 Dies zwoer d' Almachtige, dat Hij
Die snoden in de woestenij
Zou nedervellen en verderven;
Ja, dat Hij hen, met al hun zaad,
Zou bij de heid'nen om doen zwerven,
Van elk gevloekt, van elk versmaad.

16 Zij hebben zich voor 't vloekaltaar,
Verleid door Moabs docht'renschaar,
Tot Baal-peor's dienst begeven.
Zij aten 's afgods offerand'
Doch 't kostt' aan duizenden het leven;
Gods wraak ontstak in fellen brand.

17 Toen weerde Pinehas den straf,
Die moedig 't recht voldoening gaf,
En 't eerloos bloed langs d' aard deed stromen.
Die daad, ten zoen voor 't volk volbracht
Deed hem een eeuwig' eer bekomen,
Die stand hield bij zijn .

18 Zij tergden, twistend Gods gena,
Bij 't wonderwater Meriba
Verbitterden den knecht des HEEREN.
Hij sprak in onbedachtzaamheid;
Dies moest hij 't vruchtbaar land ontberen,
Den gansen volke toegezeid.

19 Zij spaarden volken, tot Gods hoon,
Die Hij bevolen had te doon,
En aan der heid'nen stam verbonden,
Vervielen zij tot afgodsdienst,
En wrochten door gelijke zonden
Zichzelf een strik, op 't onvoorzienst.

20 Men zag hen zelfs, door drift verblind,
Hun dierbaar kroost, hoe teer bemind,
Den duivelen ten offer brengen.
Men zag hen, trouw'loos en verwoed,
Op Kanans vloekaltaren plengen
Der kinderen onschuldig bloed.

21 Die onnatuurlijk' offerand',
Die bloedschuld, bracht een smet op 't land;
Zij werden onrein door hun daden,
Door hoererij en vuil gedrag.
Zij durfden Isrels God versmaden,
Maar beelden toonden zij ontzag.

22 Dit alles spoorde God tot wraak;
Zijn volk, Zijn erf, Zijn hoogst vermaak,
Werd nu een gruwel in Zijn ogen;
Hij gaf hen in der heid'nen macht,
Waardoor zij zonder mededogen,
In slaafse keet'nen zijn gebracht.

23 Hun vijand heeft hen wreed verdrukt;
Zij lagen jammerlijk gebukt;
En schoon d' Algoedheid, op hun smeken,
Hun rampen dikwijls heeft geweerd,
Zij zijn weer telkens afgeweken,
En door hun zonden uitgeteerd.

24 Nochtans was God met hen begaan;
Hij zag hun angst, hun tranen aan,
En hunner hateren verwoedheid;
Hij dacht aan Zijn gestaafd verbond,
En had berouw, naar al Zijn goedheid,
Meedogendheid met Isrels wond.

25 Dies hebt G', o God, hun last verlicht,
Zelfs voor huns vijands aangezicht.
Verlos ons ook, als onze vaad'ren;
Wil ons, nog overal verspreid,
Genadig weer bijeen vergaad'ren;
Zo word' Uw Naam en roem verbreid.

26 Geloofd zij Isrels grote God!
Zijn gunst schenk' ons dit heilgenot;
Zo zullen wij Zijn goedheid danken.
Dat al wat leeft, Hem eeuwig eer'!
Al 't volk zegg' "Amen" op mijn klanken;
Juich, aarde, loof den Opperheer!
1 Looft nu den HEER, want Hij is goed,
die met zijn liefde ons ontmoet.
Zijn trouw houdt stand te allen tijde.
Wie prijst zijn daden woord voor woord?
Wie kan zijn heerlijkheid belijden?
Wie looft Hem zodat elk het hoort?

2 Gelukkig zijn die Hij geleidt,
die leven in gerechtigheid.
Gedenk mij naar uw welbehagen.
Dat ik met heel mijn volk U dien,
met hen van voorspoed mag gewagen,
de zegen van uw erfdeel zien.

3 HEER, wij zijn zondig, wij zijn boos,
als onze vaadren goddeloos,
die in Egypte U verachtten,
en voor uw wondren doof en blind,
U bij de Schelfzee niet gedachten,
uw gunsten sloegen in de wind.

4 Maar Hij heeft nochtans hen bevrijd.
Hij toonde hun zijn majesteit,
om zo zijn naam te doen verhogen.
Zijn dreigen dreef de zee uiteen,
en Israël ging op het droge
als door een vlakke steppe heen.

5 Hij hielp hen uit des vijands hand,
Hij brak de haat, de tegenstand,
ontketende 't geweld der golven,
en heeft Egypte's machtig heer
tot aan de laatste man bedolven.
toen zongen zij zijn lof, zijn eer.

6 Hoe snel vergaten zij den HEER,
hoorden naar zijn bevel niet meer.
Begeerte had hun hart bevangen.
Zij tartten God in de woestijn.
Hij gaf hun toornig hun verlangen,
opdat het hun tot straf zou zijn.

7 Zij wilden naadren tot hun Heer,
zij eisten dat Aärons eer,
dat Mozes' ambt hun toe zou vallen.
De aarde spleet, het vuur verslond.
Dathan, Abiram, ja zij allen
verzwolgen zijn zij in de grond.

8 Zij hebben niet op God vertrouwd.
Zij maakten zich een kalf van goud,
een afgodsbeeld dat zij aanbaden.
Zij hebben voor een grazend beest
hun eer geruild, en God verraden
die steeds hun helper was geweest.

9 Hun helper, die vergaten zij,
die in Egypte hun nabij
geweest was in het huis der slaven,
hen door de Schelfzee had geleid.
Zij offerden een dier hun gaven,
alsof een kalf hen had bevrijd.

10 Toen sprak de HEER, in toorn ontbrand;
Ik roei hen uit met eigen hand.
Ontsteld trad Mozes tussen beide.
Hij smeekte; Spaar dit zondig volk
en blijf genadig ons geleiden,
ga, HEER, ons voor in vuur en wolk.

11 Het heerlijk land dat God hun wees,
versmaadden zij, verlamd door vrees.
Zij hokten in hun tenten samen,
zij die in ongeloof hun lot
aldus in eigen handen namen,
niet hoorden naar den HEER, hun God.

12 Toen straft', aan 't eind van zijn geduld,
de HEER hun mateloze schuld.
Hij hief zijn hand om te verderven.
Hij zwoer hun dood in de woestijn,
en dat hun kindren zouden zwerven
en balling in den vreemde zijn.

13 Zij hebben roekeloos hun lot
verbonden aan een vreemde god,
waarbij zij dodenoffers aten.
Hij, door hun hoon getergd, besloot
het onheil op hen los te laten.
Hij sloeg hen met verderf en dood.

14 Te rechter tijd hield Pinehas,
die Gods getrouwe priester was,
een strafgericht in naam des HEREN.
Hij heeft Gods toorn tot rust gebracht.
Hem zal men als rechtvaardig eren,
hem en zijn hele nageslacht.

15 Zij liepen Mozes achterna
met bittre klacht bij Meriba.
Om water was het hun begonnen.
En hij, in driftig ongeduld,
sprak woorden, dwaas en onbezonnen.
Zo werd hij schuldig door hun schuld.

16 Zij hebben Gods bevel veracht,
de heidenen niet omgebracht,
zij stonden voor hun invloed open.
Door eigen schuld is Israël
toen blindlings in de val gelopen
van het verdwaasd afgodisch spel.

17 Zij hadden voor 't gewaande heil
hun zonen en hun dochters veil,
die moesten voor hun goden sterven;
zij deinsden niet terug om snood
het land met bloedschuld te verderven
en te ontwijden door hun dood.

18 Hoe dikwijls heeft, met schuld bedekt,
dit volk des HEREN toorn verwekt.
Hoe dikwijls moest Hij hen kastijden.
Hij gaf hen in des vijands macht,
maar telkens kwam Hij hen bevrijden,
daar Hij aan zijn verbond gedacht.

19 Zij tartten steeds weer Gods geduld.
Zij zonken weg in eigen schuld.
Hun haters sloegen diepe wonden.
Zij werden eeuwenlang gekweld
en in de ballingschap gezonden,
ten prooi aan wreedheid en geweld.

20 Zij klaagden eindlijk God hun nood,
die in zijn liefde wondergroot
hen aanzag, met hun lot bewogen.
Hij maakte, trouw aan zijn verbond,
dat Israël zelfs in 's vijands ogen
in 't vreemde land genade vond.

21 Verlos ons, HERE, onze God,
verhef uw aanschijn, wend ons lot,
verzamel ons uit alle streken,
opdat wij eenmaal allen saam
van de vervulling mogen spreken,
lof brengen aan uw heilge naam.

22 Geprezen zij de HEER die leeft,
die Israël verkoren heeft.
Hij brengt straks heel zijn volk tezamen.
Gezegend zij zijn trouw beleid.
Zegge al het volk nu: Amen, amen.
Loof hem in alle eeuwigheid.